Het Gekwetste Gewest

STUKKEN
ACTOREN
WETGEVING
ARCHIEFSCHEMA

situering
partners
ruimerproject
methodologie
bibliografie
contact
28-05-1920
Toezicht op de wederbelegging

'Koninklijk besluit ter inrichting van het toezicht over de wederbelegging der vergoedingen in zake door oorlogsfeiten aan goederen veroorzaakte schade'
28/05/1920 - Belgisch Staatsblad, 7-8/06/1920, blz. 4286-4287

'Koninklijk besluit ter inrichting van het toezicht over de wederbelegging der vergoedingen in zake de schade door oorlogsfeiten aan goederen veroorzaakt'
20/11/1920 - Belgisch Staatsblad, 12/12/1920, blz. 10043

SITUERING:
Deze koninklijke besluiten handelen over het toezicht op de wederbelegging, dat sinds de wet van 10/05/1919 de voorwaarde was om een bijkomende schadevergoeding te ontvangen ter compensatie van de gestegen prijzen sinds het uitbreken van de oorlog.
Aanvankelijk gebeurde dat toezicht door toegevoegde opzieners voor oorlogsschade. De hoofdstaatscommissaris gaf de opziener van registratie en domeinen inzage van de schadedossiers waarop wederbelegging van toepassing was en maakte hem de bewijsstukken over. De opziener van registratie en domeinen verdeelde de zaken onder de toegevoegde opzieners, die een verslag maakten voor de Minister van Staathuishoudkundige Zaken, indien nodig nadat de opziener van registratie en domeinen ter plaatse de zaak bijkomend onderzocht had. Er waren een of meerdere opzieners bij elke Rechtbank voor Oorlogsschade, naargelang ze nodig waren. (zie A, art. 1, art. 3 en art. 6)
Het besluit van 20/11/1920 deed het bovenstaande teniet (zie B, art. 8) en liet het toezicht over aan inspecteurs, Staatscommissarissen en toegevoegde inspecteurs (zie art. 1). De inspecteurs stonden onder het toezicht van de Minister van Binnenlandse Zaken (zie art. 1), de toegevoegde inspecteurs onder dat van de hoofdstaatscommissaris (zie art. 5). Het nazicht van de wederbelegging werd vastgelegd in een getuigschrift van wederbelegging (zie art. 7).


SELECTIE VAN RELEVANTE ARTIKELS:
A) KB 28/05/1920
Art. 1: Het toezicht over de wederbelegging wordt gehouden door opzieners en toegevoegde opzieners voor oorlogsschade.
Art. 2: Het toezicht over de wederbelegging wordt opgedragen aan door Ons benoemde en rechtstreeks onder het gezag van de Minister van Staathuishoudkundige Zaken geplaatste ambtenaren, te samen met de opzieners van registratie en domeinen. (…)
Art. 3: Volgens de behoeften van de dienst zijn er een of meer toegevoegde opzieners bij elke rechtbank voor oorlogsschade.
Art. 4 - 5
Art. 6: In elk gerechtelijk arrondissement geeft de hoofdcommissaris aan de opziener van registratie en domeinen, in wiens bestuursgebied hij zijn ambt uitoefent, inzage van de bundels van de zaken waarvoor er een wederbelegging in zijn arrondissement dient nagegaan. Hij maakt hem meteen de door de belanghebbende verstrekte bewijzen over.
De opziener van registratie en domeinen verdeelt de zaken onder de toegevoegde opzieners. Hun verslagen worden, na een beargumenteerd advies en, indien nodig een onderzoek ter plaatse van de opziener van registratie en domeinen, door deze laatste aan de Minister van Staathuishoudkundige Zaken overgemaakt.
De opziener van registratie en domeinen brengt regelmatig verslag uit aan de Minister van Staathuishoudkundige Zaken, over de werkzaamheid van de toegevoegde opzieners in zijn gebied en over de manier waarop ze hun taak volbrengen.
Art. 7 – 10
Art. 11: Dit koninklijk besluit zal van kracht worden vanaf 1 juni 1920
Art. 12: De Ministers van Financiën en Staathuishoudkundige Zaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

B) KB 20/11/1920
Art. 1: Het toezicht over de wederbelegging wordt gelijktijdig opgedragen aan inspecteurs of ambtenaren door Ons benoemd en rechtstreeks onder het gezag van de Minister van Binnenlandse Zaken geplaatst, aan de Staatscommissarissen en aan deskundigen, toegevoegde inspecteurs genoemd.
Art. 2: Bij elke rechtbank voor oorlogsschade zijn er, volgens de behoeften van de dienst, een of meer toegevoegde inspecteurs.
Art. 3 - 4
Art. 5: De toegevoegde inspecteurs zijn onder het gezag en toezicht van de hoofdcommissaris geplaatst
Art. 6
Art. 7: Het nazien van de wederbelegging geeft aanleiding tot het opmaken, in dubbel exemplaar, van een verklaring genaamd getuigschrift van wederbelegging.
Art. 8: Het koninklijk besluit van 28 mei 1920, op het toezicht over de wederbelegging, is afgeschaft.
Art. 9: Dit besluit zal van kracht worden vanaf 1 januari 1921.
Art. 10: De Minister van Binnenlandse Zaken wordt met de uitvoering van dit besluit belast.