Het Gekwetste Gewest

STUKKEN
ACTOREN
WETGEVING
ARCHIEFSCHEMA

situering
partners
ruimerproject
methodologie
bibliografie
contact
24-02-1919
Voorschotten door de staat

'Wet betreffende de voorschotten te verlenen door de Staat voor de door de oorlogsfeiten berokkende schade aan goederen' (24/02/1919) - Belgisch Staatsblad, 8/03/1919, blz. 845

'Koninklijk besluit betreffende de voorschotten op oorlogsschade'(9/04/1919)
Belgisch Staatsblad, 17/04/1919, blz. 1592-1594

SITUERING:
De wet van 24/02/1919 voorzag de mogelijkheid dat ook de staat, naast de Rechtbank voor Oorlogsschade, voorschotten verleende op de schadevergoeding, die later in mindering werden gebracht op het bedrag van het eindvonnis. Om een dergelijk voorschot te krijgen moest de aanvrager bewijzen dat hij het geld dringend nodig had. Het werd pas verleend nadat de schade in overleg met de geteisterde door de Staatscommissaris was vastgesteld en geschat. (zie art. 1)
De staat mocht met de geteisterde een voorschot overeenkomen zonder bekrachtiging door de Rechtbank, zolang de eis de 2000 frank niet overschreed (zie art. 2).
Met deze wet kwam de overheid voor het eerst financieel tussen in het herstel van de oorlogsschade.

Het koninklijk besluit van 9/04/1919 stipuleerde de verdere voorwaarden waaraan de overeenkomst over voorschotten verleend door de staat moest voldoen.
De voorschotten werden verleend door de Minister van Staathuishoudkundige Zaken, op advies en onder toezicht van de Staatscommissaris (zie art. 1 en art. 11).
Tenzij het bedrag van het voorschot bepaald werd op basis van opvorderingen bij nijverheids- of handelsondernemingen tijdens de bezetting (zie art. 2 tot en met art. 5), lag het maximumbedrag vast op 10 000 frank per geteisterde, ofwel in één keer uitbetaald, ofwel door middel van meerdere stortingen (zie art. 6).
De Minister deed pas uitspraak over de aanvraag nadat hij het advies had ingewonnen van een Commissie voor Voorschotten op Oorlogsschade (zie art. 6).
De aanvragen voor voorschotten werden gericht aan de Staatscommissaris. Ze moesten het aangevraagde bedrag vermelden, de elementen aanhalen die het voorschot noodzakelijk maakten, de manier aangeven waarop het geld zou besteed worden en de schatting maken van de uitgaven die daarvoor nodig waren. (zie art. 8)
Om uit te maken of het voorschot al dan niet ‘werkelijk’ en ‘dringend’ was, werd gelet op de middelen waarover de aanvrager beschikte en op het bedrag van de verwachte uitgaven voor de heropbouw (zie art. 10). Van zodra bleek dat de voorwaarden voor het ontvangen van de voorschotten niet vervuld waren, werden de stortingen opgeschort (zie art. 11).

De wet van 24/02/1919 en het besluit van 9/04/1919 werden aangevuld door de besluiten van 11 en 12/07/1919. De wet op de voorschotten door de Rechtbank van Oorlogsschade dateerde al van 12/11/1918. 


SELECTIE VAN RELEVANTE ARTIKELS:
A)  Wet betreffende de voorschotten te verlenen door de Staat van 24/02/1919
Art. 1: De Staat mag voorschotten geven in mindering van de vergoeding die later zal verleend worden, aan de geteisterden die kunnen bewijzen dat ze het werkelijk en dringend nodig hebben (…).
De voorschotten worden verleend nadat de schade door de Staatscommissaris bij de rechtbank voor oorlogsschade in overleg met de geteisterde vastgesteld en geschat werd.
De voorwaarden waaronder zij worden verleend en het maximumbedrag worden bepaald bij koninklijk besluit.
Art. 2: De Staat mag zonder bekrachtiging door de rechtbank een bedrag met de geteisterde overeenkomen, als de eis de 2000 frank niet overschrijdt.

Ondertekend door:
Koning Albert
Minister van Staathuishoudkundige Zaken Henri Jaspar
Minister van Financiën Léon Delacroix
Minister van Justitie E. Vandervelde

B)  Koninklijk besluit betreffende de voorschotten op oorlogsschade van 9/04/1919
Art. 1: De voorschotten voorzien in de wet van 24 februari 1919 worden verleend door de Minister van Staathuishoudkundige Zaken, op advies van de Staatscommissaris.
Art. 2: Als ze worden aangevraagd door nijverheids- of handelsondernemingen die in het bezit zijn van rekwisitiebons afgeleverd in de loop van de bezetting door de Duitse overheid, worden volgende regels toegepast.
Art. 3: Als de bons of ontvangstbewijzen de waarde van de opvorderingen vermelden, zullen de voorschotten dat bedrag niet overstijgen (…).
Art. 4: Als de waarde van de opvorderingen niet vermeld wordt, zullen de voorschotten de raming niet overstijgen die een door de Ministers van Staathuishoudkundige Zaken aanvaarde vakgroepering zal maken. De Minister bepaalt de grondslagen van de raming.
Art. 5: In het geval voorzien in artikel 4 zal de aanvraag pas in aanmerking worden genomen, als de betrokkene zich er schriftelijk toe verbindt (…):
1) nadien de schade als gevolg van de opvorderingen te doen ramen volgens de besluitwet van 23 oktober 1918.
Als hij die verbintenis niet nakomt (…), moet hij de voorschotten volledig of gedeeltelijk terugbetalen.
2) aan de staat het verschil terug te betalen tussen het bedrag van het verleende voorschot en het bedrag dat door het eindvonnis wordt vastgelegd.
Art. 6: Voor de gevallen die niet voorzien zijn in artikel 2, is het maximumbedrag van de voorschotten vastgesteld op 10 000 frank per geteisterde, betaalbaar in één keer of door stortingen op door de Minister geregelde tijdstippen.
De Minister doet pas uitspraak over de aanvragen nadat hij het advies heeft ingewonnen van de Commissie voor voorschotten op oorlogsschade.
Art. 7
Art. 8: De aanvragen voor voorschotten worden gericht aan de Staatscommissaris.
Elke aanvraag vermeldt:
1) Het bedrag van het aangevraagde voorschot
2) Al wat kan dienen om te bewijzen dat het voorschot noodzakelijk is
3) De manieren waarop de aanvrager van plan is de voorschotten te besteden aan de herstelling of heroprichting van de beschadigde, vernielde of weggenomen goederen en de raming van de uitgaven die daarvoor nodig zijn
De aanvrager voegt alle begrotingen, staten en stukken toe die tot opheldering dienen.
(…)
Als ze dat nodig vinden, mogen de Staatscommissaris en de Commissie voor voorschotten de aanvrager altijd verhoren.
Art. 9: De voorschotten mogen pas worden verleend na vaststelling en raming van de schade in aanwezigheid van de Staatscommissaris en de aanvrager. De door beide partijen ondertekende constateringsakte zal bij de aanvraag worden gevoegd.
(…)
Art. 10: Om de werkelijkheid en de dringendheid van de nood te beoordelen, wordt gelet op de middelen waarover de aanvrager beschikt en op het bedrag van de in aanmerking te nemen uitgaven voor heroprichting.
Art. 11: De Staatscommissaris is belast met het toezicht op de vervulling van de voorwaarden. Als die voorwaarden niet vervuld worden, mogen de stortingen worden opgeschort.
Art. 12: De Minister van Staathuishoudkundige Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.