Het Gekwetste Gewest

STUKKEN
ACTOREN
WETGEVING
ARCHIEFSCHEMA

situering
partners
ruimerproject
methodologie
bibliografie
contact
25-08-1915
Heropbouw der vernielde Belgische gemeenten

Besluitwet 'Heropbouw der vernielde Belgische gemeenten' - Belgisch Staatsblad, 18-24/09/1915, blz. 343-350

SITUERING:
Deze eerste wet in het kader van de wederopbouw behandelde de verplichting van vernielde gemeenten om tijdens de oorlog al algemene inrichtingsplannen op te maken die voor het gemeentebestuur als basis zouden dienen voor de goedkeuring van bouwaanvragen. In de latere wet op de aanneming van de gemeenten van 8/04/1919, die de organisatie van de wederopbouw voor een groot deel uit handen nam van het lokale bestuur, worden deze plannen ‘algemene plannen van aanleg’ genoemd.
De Minister van Landbouw en Openbare Werken beoordeelde mee de inrichtingsplannen. Hij kon advies vragen aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, de provinciegouverneur en de bestendige deputatie (zie art. 2 en art. 3). De plannen moesten uiteindelijk worden goedgekeurd door de Koning, de bouwaanvragen door de Minister van Landbouw en Openbare Werken en door de gemeente zelf (zie art. 2 en art. 5). 
Deze besluitwet verviel voor de aangenomen gemeenten toen in 1919 de bovengenoemde wet van 8/04/1919 op de adoptie van de gemeenten van kracht werd. De bepalingen over de onteigeningen bleven wel gelden. Die stelden dat de gemeente, de provincie of de staat delen van private eigendommen mocht inlijven als dat nodig was om het inrichtingsplan te kunnen uitvoeren. De onteigening verliep dan volgens de regels van de onteigening van algemeen nut. (zie art. 4)


SELECTIE VAN RELEVANTE ARTIKELS:
Art. 1: Gemeenten waarvan openbare of particuliere gebouwen verwoest werden door de oorlog, moeten algemene inrichtingsplannen opmaken die voor het college van schepenen als basis zullen dienen om bouwvergunningen af te leveren.
De Minister van Landbouw en Openbare Werken kan de betrokken gemeentebesturen op hun verzoek van die verplichting ontslaan voor een deel van of voor het volledige grondgebied.
Art. 2: De plannen moeten door de Koning worden goedgekeurd.
Wanneer het belang van het ontwerp het wettigt, onderwerpt de Minister van Landbouw en Openbare Werken de plannen voor advies aan een bijzondere commissie, samengesteld uit:
1) De briefwisselende leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, die in het niet bezette deel van de provincie verblijven
2) De werkende leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, die in het niet bezette deel van het land verblijven
3) Een lid van het betrokken gemeentebestuur
De commissie wordt voorgezeten door de provinciegouverneur (…)
(…)

Art. 2

Art. 3: De gemeentewet vereist ook het advies van de Bestendige Deputatie, voor zover een beraadslaging erover mogelijk is.

Art. 4: Als het gemeentebestuur het nodig acht, zal het overgaan tot de onteigening van gedeelten van particuliere eigendommen die bij de wegen moeten worden ingelijfd of voorlopig door de staat, de provincie of de gemeente moeten worden aangekocht. Dit om het uitvoeren van het goedgekeurde inrichtingsplan mogelijk te maken. Deze onteigening zal gebeuren volgens de gewone regels van de onteigening van algemeen nut.

Art. 5: De bouwvergunningen moeten worden goedgekeurd door de Minister van Landbouw en Openbare Werken, (…)
De Minister mag zijn goedkeuring laten afhangen van de voorwaarden die hij nodig acht, zowel in het belang van de esthetica, de gezondheid of het verkeer, als in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de openbare wegen.
De Minister doet uitspraak binnen een termijn van drie maanden na het ontvangen van de beslissing van de gemeente. Als deze termijn eindigt zonder dat er een oplossing is, mag de beslissing van het gemeentebestuur van kracht worden.

Art. 6: Alle geheel of gedeeltelijke bouw of herbouw uitgevoerd zonder goedgekeurde vergunning, (…), zal onderworpen zijn aan de strafbepalingen van artikel 9 van de wet van 1 februari 1844 op de politie van de wegen.

Art. 7: Als het hoofdbestuur het vordert, legt de rechtbank de overtreders op om de plaatsen te herstellen in hun vroegere staat door het afbreken, vernietigen of  opruimen van de onwettelijk uitgevoerde werken. Als de veroordeelde het verkiest, kan hij de voorwaarden vervullen die de vergunning oplegt.

Art. 8: De overtredingen van deze besluitwet worden vastgesteld door de agenten van de plaatselijke politie en door de ambtenaren en agenten die belast zijn met het beheer en de politie van de wegen.

Ondertekend door:
Koning Albert
Minister van Landbouw en Openbare Werken J. Helleputte
Minister van Justitie H. Carton de Wiart